
Naar een voedselsysteem dat werkt binnen de grenzen van de biologische realiteit en de wetten van de markt.
We leven in een illusie van efficiëntie. Ons wordt verteld dat de moderne, industriële landbouw een wonder van productiviteit is, noodzakelijk om de wereld te voeden. Maar als we de boekhouding openbreken, zien we dat dit systeem failliet is.
De cijfers van onderzoeker Meino Smit zijn onverbiddelijk. In 1950 stopten we in de Nederlandse landbouw 1 eenheid energie erin, en kregen we er 1,04 eenheid voedselenergie uit. Het systeem voegde netto energie toe. Vandaag de dag is die ratio ingestort. Voor elke calorie die we produceren, stoppen we er zes tot zeven keer zoveel fossiele energie in. De opbrengst per hectare is sinds 1950 met slechts 12% gestegen, maar de input die daarvoor nodig was, aan krachtvoer, kunstmest, bestrijdingsmiddelen en mechanisatie, is met 619% geëxplodeerd.
Dit is geen efficiëntie. Dit is uitputting.
De Food System Economics Commission (FSEC) bevestigt dit op wereldschaal. Ons huidige voedselsysteem vernietigt jaarlijks meer waarde dan het creëert. De verborgen kosten, door uitputting van de bodem, verlies aan biodiversiteit, stikstofvervuiling en chronische welvaartsziekten, worden geschat op ruim 15 biljoen dollar per jaar. We eten de toekomst van onze kinderen op, en we noemen het "goedkoop voedsel".
Het debat over hoe we uit deze crisis komen, zit muurvast in een loopgravenoorlog tussen twee dominante wereldbeelden, treffend beschreven door Charles C. Mann als The Wizard en The Prophet.
Aan de ene kant staan de Profeten (de Ecologen). Zij zien terecht dat de aarde fysieke grenzen heeft. Hun oplossing is echter vaak een radicale breuk met het kapitalisme: consuminderen, krimp en een terugkeer naar soberheid. Dit vereist een mate van gedragsverandering die in de huidige politieke realiteit onhaalbaar is en vaak leidt tot maatschappelijke weerstand.
Aan de andere kant staan de Tovenaars (de Technologen). Zij geloven in hard paths: gentech, kernfusie, precisielandbouw en ecomodernisme. Hun stelling is dat we de natuur kunnen loskoppelen van productie en welvaart. Door middel van land sparing willen ze zo intensief mogelijk produceren op zo min mogelijk grond, om de rest terug te geven aan de natuur.
Beiden paden zijn flawed. Wij kiezen voor de derde weg: De Pragmatist.
De Pragmatist accepteert de markteconomie als het besturingssysteem van de wereld, maar accepteert óók de harde biologische grenzen van de planeet. Wij geloven dat we het systeem niet hoeven af te breken om het te redden, maar dat we het fundamenteel moeten herprogrammeren.
Waarom werkt de Wizard-oplossing perfect voor de energietransitie, maar faalt hij voor de voedseltransitie? Omdat voedsel geen elektriciteit is.
Voor energie maakt de bron niet uit. Of stroom nu uit een kolencentrale komt of van een windmolen. Het product dat uit het stopcontact komt is identiek. Hier werkt technologie als de ultieme oplosser. Maar voedsel is een biologische realiteit die direct interageert met onze fysiologie. Een tomaat geteeld op steenwol met kunstmest is nutritioneel en kwalitatief een ander product dan een tomaat uit een levende, rijke bodem, ook al zien ze er hetzelfde uit.
Het industriële model van land sparing, maximale opbrengst door maximale input, faalt omdat het de biologie negeert. Het leidt tot gewassen die leven op een infuus van stikstof en beschermd moeten worden met gif. Dit resulteert in voedsel dat ons vult maar niet voedt, en een omgeving die verarmt. Zoals bodemexpert Gabe Brown stelt: je kunt ecosysteemfuncties niet vervangen door een zak kunstmest.
Daarom is regeneratieve landbouw de enige pragmatische weg vooruit. Niet uit romantiek, maar uit noodzaak. Alleen een systeem dat samenwerkt met de natuur, door minimale bodemverstoring, diversiteit en levende wortels, kan op lange termijn productief blijven zonder de aarde uit te putten.
De huidige focus op de 'eiwittransitie' (van dier naar plant) is een gevaarlijke versimpeling. Het maakt het dier tot de vijand, terwijl het dier in een natuurlijk systeem onmisbaar is. In de natuur bestaan geen systemen zonder dieren. Zij zorgen voor begrazing, bemesting en het sluiten van de kringloop.
Het probleem is niet het dier, het probleem is de industriële manier waarop we het dier houden (losgekoppeld van het land, gevoed met soja uit de tropen). Wij pleiten daarom niet voor een eiwittransitie, maar voor een sourcingtransitie.
De vraag moet zijn: "Heeft dit product het land hersteld of uitgeput?"
Dit leidt ons naar wat wereldberoemde chef en innovator achter Stone Barns Institute chef Dan Barber The Third Plate noemt.
De mythe van de scheiding (Land Sparing)Er is een dominante stroming, vaak aangehangen door ecomodernisten en technologen, die pleit voor land sparing: we moeten de landbouw zo intensief en efficiënt mogelijk maken op zo min mogelijk grond, zodat we de rest van de aarde kunnen 'teruggeven' aan de natuur. De redenering is logisch: rauwe, ongerepte natuur is ecologisch gezien altijd superieur aan welk menselijk systeem dan ook. Als we de natuur een cijfer geven voor biodiversiteit en ecosysteemdiensten, is pure wildernis een 10.
De realiteit: wij zijn er ookHet probleem met land sparing is dat het de mens buiten de natuur plaatst. Het creëert een wereld die bestaat uit twee extremen: aan de ene kant intensieve industriële offerzones waar de bodem dood is en aan de andere kant natuurreservaten waar wij niet mogen komen.Maar wij zijn geen toeschouwers; wij zijn een biologische soort en onderdeel van het ecosysteem. Wij moeten eten, wonen en leven. De vraag is dus niet hoe we onszelf kunnen wegcijferen, maar hoe we onze interventie zo goed mogelijk kunnen vormgeven.
De Pragmatische Keuze: de 7 is goed genoegRegeneratieve landbouw haalt ecologisch gezien misschien niet de perfecte 10 van een oerbos. Waar we voedsel verbouwen, grijpen we in. Maar een regeneratief systeem, met strokenteelt, levende bodems en grazend vee, scoort wellicht een 7.Vergelijk dat met de industriële monocultuur, die in termen van biodiversiteit en bodemleven vaak een 1 of een 2 scoort.
De keuze voor regeneratief is de enige pragmatische weg. Het erkent dat we landbouw nodig hebben, maar weigert de aarde uit te putten. Het accepteert dat we de natuur niet met rust kunnen laten, maar kiest ervoor om met de natuur mee te werken in plaats van ertegenin (zoals Gabe Brown stelt: "de natuur is de beste leraar").
Breek uit het 'minder'-narratiefDoor te kiezen voor deze '7', stappen we uit het deprimerende narratief van de Profeten: "minder, minder, minder".
Als we onszelf zien als Stewards of Gardeners van het land, draaien we ons bestaan om naar iets positiefs. We zijn dan geen parasiet die de aarde belast, maar een keystone species die zorgt voor vruchtbaarheid en diversiteit.
We hoeven ons niet te verontschuldigen voor onze aanwezigheid. We moeten zorgen dat onze aanwezigheid, en onze landbouw, het landschap mooier en rijker achterlaat dan we het vonden. Dat is geen inleveren, dat is floreren.
De Schaal-ParadoxDe grootste barrière voor de transitie is niet agrarisch, maar economisch. Boeren zitten gevangen in een Scale Paradox. Ze weten dat het huidige industriële model ecologisch doodloopt, maar ze kunnen niet ontsnappen. De huidige markt betaalt hen namelijk uitsluitend voor kilo’s (yield) en uniformiteit. Een boer die regeneratief wil werken en dus kiest voor diversiteit, bodemrust en lagere volumes verliest het in dit systeem altijd van de industriële speler die zijn maatschappelijke kosten (vervuiling, uitputting) afwentelt.
Het antwoord: Stapelende verdienmodellenDe Pragmatist beseft dat we de landbouw niet kunnen veranderen door alleen van de boer te vragen om "groener" te worden. We moeten de markt om de boer heen veranderen. We moeten een economische infrastructuur bouwen die de logica van de natuur volgt in plaats van die van de fabriek.Dit vereist een verschuiving van monocultuur-economie naar stacking enterprises: het stapelen van verdienmodellen op één ecosysteem. Een gezonde boerderij is geen fabriek met één product, maar een levend organisme met talloze outputs. De markt moet daarop aansluiten via vijf fundamentele principes:
Conclusie: Winstgevend door herstelDoor deze principes toe te passen, bewijzen we dat ecologie en economie geen vijanden zijn. Als we de keten zo inrichten dat de volledige output van een gezond ecosysteem waarde krijgt, maken we de regeneratieve boer competitief. Niet door de natuur uit te buiten, maar door haar te herstellen.
Wij geloven niet dat we de consument moeten opvoeden met moralisme. De geschiedenis leert dat mensen hun gedrag niet veranderen om 'de wereld te redden', maar wel als het alternatief beter, lekkerder of gezonder is voor henzelf.
Onze belofte is simpel: gezondheid.Voedsel uit een gezonde bodem bevat meer nutriënten en geen pesticiden. Het is de beste preventieve gezondheidszorg die er bestaat. Door te sturen op kwaliteit en smaak (die direct gelinkt zijn aan bodemgezondheid), realiseren we de ecologische doelen als logisch gevolg.
De Pragmatist bouwt geen luchtkastelen. Hij bouwt een markt waarin het goede doen ook het winstgevende is.Meer landbouw… maar dan de juiste.Meer eten… maar dan het echte.
Wij zijn de eerste generatie die de keuze heeft: putten we de aarde uit tot het einde, of bouwen we een systeem dat netto teruggeeft? Wij kiezen voor het laatste.
